Louise Glück

Louise Glück

De Nobelprijs voor Literatuur ging in 2020 naar de Amerikaanse dichteres Louise Glück. “Een kleine openbaring” ontdekte Eric Corsius toen hij ‘Wilde Iris’(1992) las. Wie deze bundel openslaat betreedt een bescheiden microkosmos, waarachter evenwel grote thema’s schuil gaan, zoals het menselijk eindigheidsbesef.  Hieronder een verkorte weergave van zijn artikel in de Bezieling.

 

De toekenning van de Nobelprijs voor de literatuur is vaak een bron van verwarring. Niet zelden wordt een verwachtingspatroon doorbroken of wordt de prijs gegeven aan iemand die niet bekend is bij het bredere lezerspubliek. Zo ook in 2020:  de naam van Louise Glück was voor velen volstrekt nieuw.

 

In de bundel Wilde Iris (1992), betreed je als lezer een bescheiden microkosmos die voert naar de kleine wereld van het tuinieren. Maar de dichteres maakt ook indirect toespelingen op de wereldliteratuur, de Bijbel inbegrepen. Niet zelden hoor je in Glücks poëtische miniaturen een wanhoopskreet over verlatenheid en sterfelijkheid. God en mens lijken elkaar verwijten te maken, zoals in het Bijbelboek Job. Herkenbaar en verrassend actueel klinkt bijvoorbeeld een jammerklacht als de volgende:

 

“Hoe kan ik

Leven in een nederzetting, zoals jij verkiest, als je me tegelijk

Bij ziekte een quarantaine oplegt, mij scheidend

van de gezonde leden van mijn stam: dat doe je toch ook niet

In de tuin, door de zieke roos

Te scheiden van de anderen?”

 

Haar eindigheidsbesef is één van de fijn geweven rode draden in deze dichtbundel.