In de veertig dagen voor Pasen denken we in de Peper na over het lijden van de mens. Op de vierde zondag in de veertigdagentijd kiezen we voor een benadering vanuit de mystiek. Dat klinkt misschien abstract voor een onderwerp dat ons zo op de huid zit, maar het is nog verrassend actueel. In de middeleeuwen was het lijden voor de mensen zo ontzagwekkend groot, dat zij Jezus afbeeldden als iemand die al dat lijden zelf draagt: de Man van Smarten. De 13de-eeuwse dichter en mystica Hadewijch vroeg zich af wat je tegenover het lijden kunt stellen. Het is de minne, denkt zij, liefde in haar meest intense, meest relationele vorm, een manier van leven, verlangen naar God én gave van God. Toch blijft ze telkens weer met lege handen staan, zodat zij het uitschreeuwt: ‘mi gruwelt dat ik leve’. Maar zij geeft niet op. Tegenover de gruwel stelt zij een ontembare levensdrang, een ‘oerewoet’, die hoe dan ook in minne wil en zál leven. Zoals Huub Oosterhuis schreef in een lied dat we deze zondag gaan zingen:
Verdeeld, verstroefd, niet met mijzelf verzoend.
Tot tegenspraak en tweegevecht gedoemd.
Als die ooit schreef ‘mi gruwelt dat ic leve’.
Toch in uw handen en naar U genoemd.
Zouden wij hier nog wat mee kunnen? De gruwel van het menselijke lijden laat zich niet neutraliseren met gelovige vroompraat. Maar wat stellen we er tegenover? Hoeveel ‘oerewoet’ kunnen wij opbrengen, gevoed vanuit een hartstochtelijk ‘Jou’? Want als wij ons niet willen laten leiden door wanhoop of woede, dan blijft alleen dat ‘Jou’ voor ons over, zoals verwoord in een ander lied van Oosterhuis dat we zullen zingen na de overweging:
Kome wat komt.
Maar laat het om Jou zijn
dat wij het uithouden en niet om niemand
dat wij de beker drinken tot de bodem
dat wij dit leven leven tot de dood.
Mede namens Hilda Scherphuis, Ari Troost
Afbeelding: Man van Smarten, Geertgen tot Sint Jans, 1480-1490, Museum Catharijneconvent
Wil je de viering online meemaken: klik dan op deze link